Het zevende orkest
- moniek van pelt

- 30 mrt
- 5 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 31 mrt

Ze zitten. Is het samen? Het staat nergens meer. Niet op papier, niet in de hand. En nergens op het land. En toch zitten ze. Naast elkaar. Onvoorspelbaar geworden voor de wereld. Het is geen belangrijk moment. De tijd tikt niet extra, er draait geen camera. Er wordt niet eens iets gedeeld. Toch is het geen zwijgen. De stilte is sprekend een goed verhaal. Een echt verhaal, als een dansend vuurvliegje, nergens stoppend, bij geen punt. Voor hun schermt het en daarop beeld. Zoveel krankzinnig beeld, gefragmenteerd en getorpedeerd, vliegt om hun oren. Hun haren beven. Het rukt aan ogen, trekt aan handen, slaat op hart. Het straft waar het kan, zo hard. Onvoorstelbaar hard. Het houdt een gedachte in leven. Eentje maar. Genoeg om eeuwig in door te schermen. Jij .. bent van mij. Je werkt voor mij, je leeft voor mij, je sterft voor mij.Ā Je zult geen gedachte zonder me kunnen. Je vult je tijd voorbij. Voorbij het leven. Voorbij jou. Denk jij maar dat je dit leven leeft. Ik geef je de beelden wel. Denk jij maar dat je voelt. Dat je weet. Ik laat je zo hard kraken, dat je breekt als was in mijn handen. Je zult smeken om mij als jouw god te mogen zien. Niet omdat ik kwaad ben. Of goed. Ik verover land. Met jou erop. En ik denk nergens zoals jij. Simpel. Je zult over mij niet kunnen nadenken. Niet zelf. En wat jij niet kunt zien, wat je niet kent, zul je nooit los kunnen laten.
Een zin, of twee, drie, vier, het is nog wel te overzien. De beelden echter, ze rammen door. Dwars door alle filters heen. Tot op het bot. Sturend. Neerbuigend. Oorverdovend. Stram makend. De lucht ruikt verschroeid. Herrie blijft de ruimte in golven. Verlangens vol samen terug uitkotsend bovenop het leven. Als vervuilde zeeën, ontwortelde bergen, gewiekt gras, geknipte pijn. Krimpend in elke mokerslag.
Ze zitten er nog steeds. Hun schaduwen stonden op. Liepen weg. Verontwaardigd. Boos. Handen opgeheven. Repen woest land meetrekkend uit de film. Vreemde wind aan haren, recht opgetrokken als een marionet. Rollende ogen, vertwijfeld, huilend, schreeuwend. Donder aanroepend en dood. Vreemde besmettingshaarden vol kamperij buigen zich over hen, als een dataspuwende vulkaan. Woorden in een taal, die wel iets wil zeggen, maar niets lijkt te zeggen. Niet sprekend, als een vuurvliegje. De spuug die meereist op de verbetenheid spuugt door. Tikt aan. Veheft tot vreemde grootsheid. Licht mag alleen op de schaduw. Een of ander diepsel licht, die ware gevoelens eruit kijkt. Obscuur. Duister. Ach, ontheemd paradijs.
Het conflict is ontelbaar geworden, vermenigvuldigd in tijd met alles wat botste in dit ooit. Klinkend als nooit. Nooit! Vergeet dat niet. Nooit ..Schaduwen zijn van velen. En uit velen geslopen en weer erin. Namen zonder echte wassing, geƫrfd in delen. Delen moeder, delen vader, delen kind. Het slot cijfert en ontcijfert door. En ze zitten. Beelden vliegen over hun gezichten. Allang niet meer van hen. Hun handen tonen zoveel bewegingen tegelijk. Steeds meer. Steeds weer die wanhopige verstrengeling tussen vingers. In een gebed naar niks. Om niks. Het laatste restje leven ervoor gevend. Haren klein, kort, wit, lang, grijs, bang. Uitzinnig leven, dat uit moet gaan. Uit moest zijn.
De mens echter, bleek vol verrassing. Ook in hen. Op elkaars schouders. Aan elkaars hand trekkend. In de diepte van de traan ziend. De ongeziene kus. Onbewaakte momenten. Glimpjes zonder schaduw. Het hart dat even opende. Om niks. Om alles. Om de vlinders van ooit. Er ontstond beweging op het behang, het decor en in de film. Klein, bijna onzichtbaar en toch onmisbaar. Als het vuurvliegje, dansend door de rasters.. Om de stortvloed heen, ondanks de bulderende val die volgde. Keer op keer.Ā Vallend water in een lichaam, dat sporen achterliet. Pijn. Schade. Ontwrichting. Voorspeld door beeld van de gehangene.Ā Alles raakt hier op. En over. Uit. Parasieten woekeren door alles heen en door en door. Als kunstmatige klimop die omklemt en langzaam wurgt. Tot niemand meer de verderkijker kent. Daar waar heel in de verte samen schijnt. Het dansend hart.
Het is dat hart dat hen daar doet zitten. Handen erop. Niks meer te zeggen. Niemand meer te zijn. Geen rol van betekenis. Zonder markering op de landkaart. Een kaart die platgewalst is voor hen. In beeld vol schaakmat. Leven dat ademt als een veertje. Leeg. De storm die erdoorheen geraasd is, heeft het grote duister aan getikt. Een repeterende galm sliert de lucht in. Rokende hoofden, neergeschoten uit hun vlucht. De grond is omgeploegd. Opengereten. De uitdrukking hangt scheef. Omhulsel flikkert. De stilte wil spreken. Spreekt. Niet uitleggen. Luisteren. In de oorverdovendheid van het wapengekletter die vergeefs slaat.. die nog eens onverwachts uithaalt en valt. In het hart dat zo hevig bonkt van spanning van oerlang temidden van oorlog. In trillende handen, oud in het tasten naar gemoedswisselingen.
In het aardedonker, dieper dan verwacht, waar geen maan ooit scheen, geen gedachte doordrong, zelfs geen veertje, onder al dat moest geboren en weer begraven, tussen wortels, schimmels, mossendiep en honingzoet.. plopt iets los. In een tempo dat geen loosheid kent ontvouwt zich.. Niet te filmen, in geen geheel. Onzichtbaar voor schreeuwende beeldmanie. Als een orkest in wording trilt een noot open. Voor het eerst. Nieuw. Onbedorven. Onbezongen.
Een draad, een opening, een druppel, trilling. Flitsend warm. Opens echt blikt er iets van k l a n k Ā de wereld in. En er wordt terug gekeken. Het hart kan er zien naar zichzelf. Er ligt niks tussen. De spiegel is leeg en vol van leven. Het eigent in die waarneming, het eigent alles wat leeft. Ieder die het hart heeft. Zelfs wie dat niet langer wil in denken langs routers. Het is het zevende orkest die vorm bekent. Een aards orkest. Het vormt zich zonder enige sturing, zonder beklijfgedrag, zonder wenslamp. Zonder enig beeld van de aarde die zich ermee bemoeien zou. Geen beeld in die zin des woords. Niets. En toch is het vol, loopt het vol, stilt en hart het vol. Vol mensen die ervaren, die zelf meemaken hoe het is om hier te zijn. Mensen die zien en willen zien. Die huilen en schreeuwen. Die zingen ondanks alles en snikkend stillen. Die wervelen rondzij. Dankzij.Ā
Het is de muziek die de kosmos in galmt van ons mensen. Mensen die hun weg op de aarde hervinden. Herpakken. Beleven. Die alle beelden laten en er zelf eentje maken die niet lijkt. Die woorden spreken vol ongedragen bestaan. En zingen vanuit een ongedurfd en onwijs verlangen naar zelf zijn. Van mensen van ons naar mensen van ons. Ze luisteren. Reken maar dat ze luisteren. Zij spelen ook in hun orkest. Elke wereld en divisie die wij ergens in ons dragen en die zij belichamen speelt mee. Het is de muziek van de kus en het is voor eeuwig. Het vibreert elk idee van poorten open. Het boort zich in gedachtenvelden en sprinkelt er zon. Zomaar. Buiten ons denken om. Totaal erbuiten blijvend. En zo diep binnenin verbonden. Het zevende orkest.
Ze zitten erbij. Te midden van het geweld dat gewoon doorgaat. Nog wel. Hun harten gloeien. Ergens is het geweten. In die beweging die alles terugvindt zijn zij samen. In de sfeer van een eenvoudig hutje, waar kaarslicht schijnt, zonder tv of radio. Zon speelt er met de raamopslag, de druppels aan de nok, het stro op het dak. Ergens tikt een vogel. De bloem ontvouwt. Nergens is het prijs. Geen riem die straktrekt. Of overtollig verdriet. Beeldkracht is er van de mens. Het hoeft niet open. Het is er al. Het zal nieuw voelen. Om te inneren zonder herijking. Hout is hout en nodig voor het vuur. En boven hen cirkelt leven. Zo de hoofden in. Samen. Liefde. Licht.
Ā
moniek
het zevende orkest is voor mij het orkestĀ die alle klanken hart speelt van de aardemensen, voor zichzelf en voor de universa. Een orkest die samenwerkt met vele orkesten in de hele kosmos. Deze beschrijving toont slechts fragment. Maar ik heb gehoord en ik ben gehoord. Wij spelen. De muziek speelt door..
bijbehorende video kan hier niet gedeeld worden en is op deze naam te vinden: Morricone conducts Morricone: The Mission (Gabriel's Oboe)




Opmerkingen